| Anemoon |
| BLWG |
| EIS-NL |
| FLORON |
| NMV |
| RAVON |
| SOVON |
| TINEA |
| Vlinderstichting |
| Zoogdiervereniging |
![]() |
|
Paddestoelen (NMV) Gegevens in het karteringsbestand In de 70-er jaren van de vorige eeuw begon de verzameling van veldgegevens over paddestoelen door leden van de NMV sterk toe te nemen. Dit opende de mogelijkheid om een beter inzicht te krijgen in de betekenis van paddestoelen als milieu-indicator d.m.v. een langlopende, gestructureerde kartering. Deze is formeel van start gegaan in 1980, onder de supervisie van de Werkgroep Paddestoelenkartering Nederland. Gegevens van vroeger datum zijn (en worden nog steeds) overgenomen uit lokaal bewaarde wetenschappelijke en particuliere gegevensbronnen voor zover de mate van detail dat toelaat. De vroegste waarnemingen in het karteringsbestand dateren van het jaar 1800. Gegevens worden nu genoteerd op speciale formulieren, waarop alle relevante omstandigheden kunnen worden genoteerd (datum, locatie, milieueigenschappen, etc.). Tot 1999 werden alle gegevens centraal gedigitaliseerd en beheerd door daarvoor gesubsidieerde externe organisaties (SBB, BIC en IKCN). Na het wegvallen van subsidies worden alle handelingen door leden van de vereniging verricht. In snel toenemende mate wordt daarbij gebruik gemaakt van digitale invoer m.b.v. het programma Spot (auteur: Peter Frigge). De gang van zaken is nu als volgt. Waarnemingen (uit het veld, historische aantekeningen of herbariumcollecties) worden normaliter gezonden aan de Districtcoördinator (DC) van het district waaruit de waarnemingen afkomstig zijn. Waarnemers worden centraal geregistreerd en ontvangen een codenummer. Zij zijn meestal, maar niet noodzakelijk lid van de NMV. Elke waarneming is in principe acceptabel, zodat de ingezonden lijsten afkomstig kunnen zijn van inventarisatieprojecten (bijv. van lokale werkgroepen), verenigingsexcursies, of individuele waarnemers die soms ook slechts enkele losse waarnemingen inzenden. De DC is doorgaans het best bekend met de lokale waarnemers en doet dan ook een eerste controle op de plausibiliteit van de waarnemingen. Vervolgens worden de gegevens aan de bestandsbeheerder gezonden, die de data nog eens (deels geautomatiseerd) screent op o.a. correctheid van coördinaten, soorten waarvoor nader bewijs (herbariummateriaal) nodig is, of soorten die bekend staan wegens gemakkelijke verwisselbaarheid. Zonodig wordt navraag gedaan. De gecontroleerde bestanden worden dan samengevoegd in een subbestand, dat minimaal eens per jaar wordt toegevoegd aan het totaalbestand. De bestandsbeheerder handelt op basis van dit totaalbestand gegevensaanvragen af. Onafhankelijk van de kartering onderhoudt de NMV een monitoringproject (NEM), dat via het CBS wordt geadministreerd. Volledigheid/kwaliteit van onderzoek Een onderzoek van topografische eenheden in de orde van bijv. een kilometerhok kan bijna per definitie niet volledig zijn. In Nederland zijn bijna 5000 soorten paddestoelen (macrofungi) bekend, waarvan een groot deel zeldzaam, moeilijk te vinden, of lastig te determineren is. De vorming van vruchtlichamen waaraan het eigenlijke organisme (de schimmel) kan worden herkend, wordt niet alleen bepaald door de standplaats, maar ook door klimatologische factoren. Ook bij goed zoeken op bekende plaatsen in ogenschijnlijk goede tijden blijkt het voorkomen van vele soorten echter soms erg onvoorspelbaar, zodat er kennelijk nog andere, onbegrepen factoren een rol spelen. Op deze wijze onderscheiden we de volgende categorieën voor een km-hok: Het ontbreken van soorten wordt niet expliciet geregistreerd. Het voorhanden zijn van slechts enkele meldingen in een hok zal meestal betekenen dat een waarnemer in het voorbijgaan een paar paddestoelen heeft genoteerd. Een dergelijk hok zou strikt genomen als "niet onderzocht" moeten worden betiteld, maar omdat dit moeilijk is af te bakenen wordt dan toch consequent de term "slecht onderzocht" gebruikt. terug naar begin pagina |
Bezoek: Toernooiveld 1 - 6525 ED Nijmegen Post: Postbus 9010 - 6500 GL Nijmegen T (024) 741 06 40